Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019
Onder 2.1 Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:608.
Om in aanmerking te komen voor een Europees octrooi moet een uitvinding nieuw zijn, op uitvinderswerkzaamheid berusten en industrieel toepasbaar zijn (art. 52 EOV). In ons kort geding gaat het in cassatie alleen nog om het inventiviteitsaspect. Volgens art. 56 EOV is daarvan sprake als een vinding “voor een deskundige niet op een voor de hand liggende wijze voortvloeit uit de stand van de techniek”. De octrooirechtelijke maatpersoon is de “gemiddelde vakman ” en in de praktijk wordt bij de beoordeling van inventiviteit vaak gebruik gemaakt van de binnen het Europees octrooibureau (EOB) in zwang geraakte problem (and) solution approach als hulpmiddel. In drie stappen wordt in deze benadering geprobeerd te achterhalen of de uitvinding op de aanvraag- of prioriteitsdatum voor de gemiddelde vakman verassend was of niet. Een vinding kan met later verkregen kennis achteraf soms eenvoudig lijken, maar dat levert geen faire beoordeling op van de uitvindingshoogte, zodat men poogt die spreekwoordelijke wijsheid achteraf uit te bannen. Dat maakt de inventiviteitstoets er intussen niet eenvoudiger op.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/afd44511df1dbea3486543ce20e7c2acfbb45cd890fcb8e775d7f68d3b46447b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt afd44511df1dbea3486543ce20e7c2acfbb45cd890fcb8e775d7f68d3b46447b, en de alinea staat in dat document op bytes 50232 tot 51522.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/afd44511df1dbea3486543ce20e7c2acfbb45cd890fcb8e775d7f68d3b46447b | shasum -a 256