Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 juni 2019

Onder 4.24 Parket bij de Hoge Raad 14 juni 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:PHR:2019:643.

Doordat het hof zich niet heeft uitgelaten over de betekenis van de instemming van de GOR moet het ervoor worden gehouden dat het hof kennelijk geoordeeld heeft dat daaraan geen belang toekomt voor het antwoord op de vraag of de Werkgevers voldoende hebben onderbouwd dat zij een zwaarwichtig belang hebben om de premielastverdeling aan te passen. Daarmee is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Uit de parlementaire geschiedenis van art. 7:613 BW blijkt dat instemming van de ondernemingsraad een bij de beoordeling in aanmerking te nemen factor is (zie hiervoor, 3.13-3.17). Ook een meerderheid van de schrijvers verdedigt het standpunt dat instemming van c.q. overeenstemming met de ondernemingsraad een belangrijk gezichtspunt vormt (zie hiervoor, 3.23). Nu het hof dit heeft miskend, dienen de in het eerste en in het tweede subonderdeel naar voren gebrachte rechtsklachten te slagen. De motiveringsklacht in subonderdeel 2(b) behoeft geen behandeling.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a98fb17ea4528a2b6066347aff25e56a7af26d1bf36c757231bf5e8f3c79dc7c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a98fb17ea4528a2b6066347aff25e56a7af26d1bf36c757231bf5e8f3c79dc7c, en de alinea staat in dat document op bytes 121376 tot 122396.