Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 juli 2019
Alinea 71 Parket bij de Hoge Raad 2 juli 2019
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 juli 2019, ECLI:NL:PHR:2019:686.
8. Zoals de steller van het middel terecht in het oog houdt, is het aan het hof voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare bewijsmateriaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt (en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht). Art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv verplicht de rechter weliswaar de bewijsbeslissing in voorkomende gevallen nader te motiveren (dat wil zeggen: indien een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld ter terechtzitting is ingenomen), maar die bepaling brengt niet met zich dat de rechter dan ook is gehouden op elk detail van het naar voren gebrachte standpunt uitdrukkelijk en afzonderlijk te reageren, aldus HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma. Volgens Hoving in zijn Groningse dissertatie uit 2017 is de Hoge Raad over het algemeen betrekkelijk terughoudend bij het beoordelen of de rechter de verwerping van een verweer over het gebruik van deskundigenbewijs voldoende heeft gemotiveerd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ae56e06c0cdb13a22298e5120df731690061324b12a37fc3783aac07bf54dc2d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ae56e06c0cdb13a22298e5120df731690061324b12a37fc3783aac07bf54dc2d, en de alinea staat in dat document op bytes 26094 tot 27358.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ae56e06c0cdb13a22298e5120df731690061324b12a37fc3783aac07bf54dc2d | shasum -a 256