Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 juni 2019
Onder 2.16 Parket bij de Hoge Raad 21 juni 2019
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 juni 2019, ECLI:NL:PHR:2019:689.
Verweerder in cassatie [verweerder] voert als meest verstrekkend verweer aan dat de stelling van [eisers] – die hij samenvat als de stelling dat indien op de erfgrens reeds een mandelige afscheiding staat die niet als scheidsmuur kwalificeert, de bevoegdheid van art. 5:49 BW afhankelijk is van een (volle) belangenafweging – berust op een ontoelaatbaar novum in cassatie (s.t. onder 3.3-3.7 i.v.m. 1.1). Daartoe wordt aangevoerd dat in feitelijke instanties het verweer van [eisers] juist steeds is geweest dat de coniferenhaag wel als scheidsmuur kwalificeert, dat de vordering van [verweerder] dus moet worden aangemerkt als een vordering tot vernieuwing, in welk verband [verweerder] een bijzondere noodzaak moest stellen en bewijzen, hetgeen hij heeft nagelaten.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dfa3cf4926e8a5c2930feb7839ff60fb06fa64304ac7efad4f88e65646b7a96d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dfa3cf4926e8a5c2930feb7839ff60fb06fa64304ac7efad4f88e65646b7a96d, en de alinea staat in dat document op bytes 52347 tot 53240.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/dfa3cf4926e8a5c2930feb7839ff60fb06fa64304ac7efad4f88e65646b7a96d | shasum -a 256