Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 juni 2019

Onder 2.3 Parket bij de Hoge Raad 21 juni 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 juni 2019, ECLI:NL:PHR:2019:689.

Het hof heeft de grieven aldus samengevat dat deze neerkomen op de stellingen (i) dat de coniferenhaag niet kan worden aangemerkt als scheidsmuur en (ii) dat [verweerder] gerechtigd is te verlangen dat een scheidsmuur op de erfgrens wordt gebouwd (rov. 3.4). Daarop heeft het hof zowel de vordering sub (I) tot verwijdering van de coniferenhaag als de vordering sub (II) tot oprichting van de scheidsmuur toegewezen op grond van art. 5:49 BW (rov. 3.12). Dat het hof daarbij de (toewijzing van de vordering tot) verwijdering van de coniferenhaag kennelijk ziet als een noodzakelijk sequeel van de (toewijzing van de vordering tot) oprichting van een scheidsmuur vindt steun in de beslissing dat ook de kosten van het verwijderen van de coniferenhaag voor gezamenlijke rekening komen (rov. 3.17). Het hof heeft de vraag of de aanwezigheid van de coniferenhaag op de erfgrens onrechtmatig is op grond van art. 5:42 BW als niet relevant bestempeld (rov. 3.15). [verweerder] heeft daartegen geen (voorwaardelijk) incidenteel cassatiemiddel geformuleerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dfa3cf4926e8a5c2930feb7839ff60fb06fa64304ac7efad4f88e65646b7a96d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dfa3cf4926e8a5c2930feb7839ff60fb06fa64304ac7efad4f88e65646b7a96d, en de alinea staat in dat document op bytes 23827 tot 25097.