Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 mei 2019

Onder 4.3 Parket bij de Hoge Raad 29 mei 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:698.

De brief van 10 november 2016 is verzonden naar [adres], [postcode] [plaats]. De dagtekening van de brief, te weten 10 november 2016, is de datum dat de brief is verzonden. Het staat naar mijn mening vast dat belanghebbende op de verzendatum van de brief op het bovengenoemde adres woonde en/of daar kantoor had. Belanghebbende heeft op 14 augustus 2016 digitaal bezwaar gemaakt. Onder de naam van belanghebbende staat als adres vermeld [adres], [postcode] [plaats]. Van problemen met de verzending van poststukken naar dit adres is mij niets gebleken. De ondertekenaar van de brief, de heer [naam], heeft de brief persoonlijk opgesteld en met dagtekening 10 november 2016 geprint. Hij heeft de brief persoonlijk in een envelop gedaan en die vervolgens in de postbak voor verzending van poststukken gedaan. Afhankelijk van het tijdstip waarop hij de brief in de postbak heeft gedaan is de brief nog dezelfde dag of de dag daarna door een medewerker van de postkamer opgehaald en aangeboden aan PostNL voor postbezorging. De brief van 10 november 2016 is niet als onbestelbaar naar de gemeente teruggezonden. De enkele stelling van belanghebbende dat hij de brief niet zou hebben ontvangen is naar mijn mening onvoldoende dat de ontvangst van de brief redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a09a1cac91f9e205acfd84677ea5c3809d850000f39fbaca690136638594753b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a09a1cac91f9e205acfd84677ea5c3809d850000f39fbaca690136638594753b, en de alinea staat in dat document op bytes 34038 tot 35339.