Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 juni 2019
Onder 3.4 Parket bij de Hoge Raad 4 juni 2019
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 juni 2019, ECLI:NL:PHR:2019:780.
Ook na deze overwegingen meermaals te hebben gelezen, heb ik moeite de gedachtegang van het HvJ te volgen. Mij ontgaat het (taalkundige) verband tussen de punten 51 en 52. Bedoelt het HvJ dat een beperking steeds gerechtvaardigd én evenredig is bij beschikkingen van de douaneadministratie (anders gezegd, slaat “Dat” in punt 52 terug op het geheel van punt 50)? Dit lijkt mij onwaarschijnlijk. Of bedoelt het HvJ dat een beperking steeds gerechtvaardigd is omdat beschikkingen van de douaneadministratie beantwoorden aan een algemeen heffings- en invorderingsbelang, namelijk onverwijlde en doeltreffende controles ten dienste van een snelle inning (anders gezegd, slaat “Dat” terug op het geheel van punt 51)? Of bedoelt het HvJ dat een beperking individueel is gerechtvaardigd, namelijk wanneer een snelle inning is vereist (anders gezegd, slaat “Dat” terug op het eerste deel van punt 51)?
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/105985db1e119e35d075ae025b43d5b247aedf1c962fd8ec6fa12e858ae8d509. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 105985db1e119e35d075ae025b43d5b247aedf1c962fd8ec6fa12e858ae8d509, en de alinea staat in dat document op bytes 21497 tot 22416.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/105985db1e119e35d075ae025b43d5b247aedf1c962fd8ec6fa12e858ae8d509 | shasum -a 256