Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 september 2019

Onder 7.34 Parket bij de Hoge Raad 26 september 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 september 2019, ECLI:NL:PHR:2019:782.

Het antwoord op vraag 5 luidt daarom mijns inziens ontkennend (geen recht op teruggaaf), ongeacht of het om de periode vóór of ná 1 januari 2007 gaat, omdat de belanghebbende qua aard van zijn activiteiten en qua winstbestemming niet vergelijkbaar is met de ingezeten adressaten van art. 10(1) Wet Divb. Als hij een doelvermogen is in de zin van art. 3 Wet Vpb, zoals de vraag veronderstelt, impliceert dat mijns inziens bovendien dat hij bij binnenlandse vestiging vennootschapsbelastingplichtig en dus niet teruggaafgerechtigd zou zijn omdat het EU-recht er mijns inziens toe noopt om de kring van buitenlands belastingplichtigen in art. 3 Wet Vpb niet ruimer te trekken dan de kring van binnenlands belastingplichtigen in art. 2 Wet Vpb.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7793daee87363b9a54fbc54c5b7f8bc6e6c2f0852411d9a3d51d54e100c22d42. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7793daee87363b9a54fbc54c5b7f8bc6e6c2f0852411d9a3d51d54e100c22d42, en de alinea staat in dat document op bytes 232453 tot 233209.