Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2019
Onder 2.22 Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2019
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 juli 2019, ECLI:NL:PHR:2019:786.
Steneker komt tot dezelfde slotconclusie (i.e. overdraagbaarheid), maar merkt op dat overdracht door de bemiddelaar aan een andere bemiddelaar, nu medewerking van de verzekeraar vereist is, juist wel kan worden aangemerkt als contractsoverneming, waarbij zowel de contracten als de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen op de nieuwe bemiddelaar overgaan. Hij signaleert daarbij dat voor verpanding de mogelijkheid van overgang krachtens contractsoverneming echter niet genoeg is: het pandobject moet overdraagbaar zijn. Hij merkt vervolgens op dat de ratio van dit overdraagbaarheidsvereiste is gelegen in het feit dat de wetgever aan het pandobject (slechts) de eis heeft willen stellen dat het vermogenswaarde vertegenwoordigt die door middel van executie door de pandhouder kan worden gerealiseerd. Nu executie door middel van ‘overdracht’ (in de zin van art. 4:103 lid 4 Wft) volgens Steneker praktisch gewoon mogelijk is, is zijns inziens de wenselijkheid van de mogelijkheid tot verpanding gegeven en moeten dogmatische bezwaren zoveel als mogelijk worden weggenomen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3fbf2dc93c10fa58fe339abb495d9eb17a7c5707ea6295c6303446d2e9db4ce4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3fbf2dc93c10fa58fe339abb495d9eb17a7c5707ea6295c6303446d2e9db4ce4, en de alinea staat in dat document op bytes 59243 tot 60443.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3fbf2dc93c10fa58fe339abb495d9eb17a7c5707ea6295c6303446d2e9db4ce4 | shasum -a 256