Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 april 2019

Onder 3.2 Parket bij de Hoge Raad 5 april 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:792.

In het bestreden arrest heeft het hof rechtsmacht op grond van art. 3 onder a Rv afgewezen, ondanks het feit dat de verzoekster (de moeder) in Nederland haar woonplaats heeft. Het hof heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het in dit geval niet gaat om de belangen van verzoekster, maar om die van het ontvoerde kind. Daarom gaat de ratio van art. 3 onder a Rv in dit geval niet op, aldus het hof. Zoals uit het voorgaande (nrs. 1.3 e.v.) blijkt, ben ik van mening dat het hof rechtsmacht op grond van art. 3 onder a Rv had moeten aannemen. Voor de toepasselijkheid van die bepaling worden geen andere eisen gesteld dan dat de verzoeker zijn woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Het risico dat in andere landen de bevoegdheid op basis van de woonplaats of de gewone verblijfplaats van de verzoeker als exorbitant kan worden beschouwd, heeft de wetgever onder ogen gezien, maar gering geacht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3723657e9bd176978b9226986e12af8eb50047c68d25d8e02c5068bd525b2032. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3723657e9bd176978b9226986e12af8eb50047c68d25d8e02c5068bd525b2032, en de alinea staat in dat document op bytes 20340 tot 21263.