Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 juli 2019

Onder 2.31 Parket bij de Hoge Raad 5 juli 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 juli 2019, ECLI:NL:PHR:2019:798.

Ook deze klachten lijken mij in wezen te moeten slagen, nu rov. 3.7 gelet op het verkeerde uitgangspunt in rov. 3.6 ook niet in stand kan blijven – daargelaten dat het hier waardering van partij-uitingen betreft die is voorbehouden aan het hof als feitenrechter. Na verwijzing zullen de in de klacht bedoelde elementen, waar ik hiervoor in het inleidende deel ook deels aandacht voor heb gevraagd bij de kwestie of ten tijde van de selectieve betaling sprake was van een situatie waarin het faillissement onafwendbaar was geworden, opnieuw door de rechter die over de feiten oordeelt in de beoordeling moeten worden betrokken. Terecht wordt er ook over geklaagd dat door de verkeerde normstelling ook de stelplicht en bewijslast verkeerd zijn gelegd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/60ff279b3e48160b932fb097a83e0562cf63226b45db1e4f5ee2afcc296a9bad. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 60ff279b3e48160b932fb097a83e0562cf63226b45db1e4f5ee2afcc296a9bad, en de alinea staat in dat document op bytes 71912 tot 72677.