Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 september 2019

Onder 5.44 Parket bij de Hoge Raad 13 september 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 september 2019, ECLI:NL:PHR:2019:887.

Zijn beslissingen dat een rechterlijk bevel tot wetgeving ontoelaatbaar is, heeft de Hoge Raad niet gebaseerd op het praktische argument dat executieproblemen te verwachten zijn indien de Staat – anders dan de Staat gewoon is te doen − het bevel niet zou naleven en de eisende partij zou willen overgaan tot tenuitvoerlegging. De Staat als rechtspersoon kan, óók ter nakoming van een rechterlijk bevel tot wetgeving, een lid van de Staten-Generaal niet dwingen om vóór of tegen een bepaald wetsvoorstel te stemmen. Hetzelfde geldt ten aanzien van het stemrecht van een lid van de Provinciale Staten of van een gemeenteraad indien het zou gaan om het vaststellen, wijzigen of intrekken van een provinciale of gemeentelijke verordening. Van een reële executie van een wetgevingsbevel kan daarom nooit sprake zijn. Hoogstens zou een indirecte vorm van tenuitvoerlegging denkbaar zijn, door aan de Staat (als rechtspersoon) een dwangsom op te leggen, maar ook dat stuit op bezwaren. Wel verdient in dit verband opmerking dat het niet naleven door een EVRM-verdragsstaat van een tegen hem uitgesproken veroordeling door de nationale rechter zelfstandig een schending van art. 6 lid 1 EVRM oplevert.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/23ef451c60ce326bc0d516bc610f41f5e9daa1aa33f5fa86ca9e40f34d65fee9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 23ef451c60ce326bc0d516bc610f41f5e9daa1aa33f5fa86ca9e40f34d65fee9, en de alinea staat in dat document op bytes 532509 tot 533915.