Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2019

Alinea 24 Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 oktober 2019, ECLI:NL:PHR:2019:930.

12. Toch hoeft het onjuiste gebruik van de schriftelijke verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2] voor het bewijs van feit 4 naar mijn inzicht niet tot cassatie te leiden. Ik leg uit waarom. De schriftelijke verklaringen van [medeverdachte 2] gaan alle over haar eigen rol in deze zaak en zijn niet direct relevant voor de strafrechtelijke positie die de verdachte, gelet op het onder feit 4 bewezenverklaarde, in het kader van de criminele organisatie (art. 140 Sr) heeft ingenomen. Voor die positie van de verdachte zijn van belang de bewijsmiddelen uit Bewijsmiddelenbijlage 1, die blijkens het opschrift “ Ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4 ” mede ten aanzien van feit 4 hebben te gelden. Ook als de schriftelijke verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2] worden weggedacht, kan naar mijn inzicht uit die bewijsmiddelen in samenhang met de overige in Bewijsmiddelenbijlage 3 opgenomen bewijsmiddelen zonder meer het bewijs voor feit 4 (zoals door het hof bewezenverklaard) volgen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8fd84bdcb03a377cc1a8d2d7c348e0a119461c8589bb9aa7c64c90e9e73ff30b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8fd84bdcb03a377cc1a8d2d7c348e0a119461c8589bb9aa7c64c90e9e73ff30b, en de alinea staat in dat document op bytes 12794 tot 13975.