Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 oktober 2019
Onder 8.4 Parket bij de Hoge Raad 1 oktober 2019
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 oktober 2019, ECLI:NL:PHR:2019:951.
Opmerking verdient dat ik zeker niet de eerste ben die zich over deze vragen buigt. Mijn ambtgenoot Spronken heeft in 2016 al stilgestaan bij de vraag of in het licht van art. 6 EVRM een verdachte onvoldoende belang heeft bij een klacht over de overschrijding van de redelijke termijn. Zij was van oordeel dat de rechtspraak van het EHRM niet in de weg stond aan een niet-ontvankelijkheidsverklaring. Daarbij verwees zij naar een ontvankelijkheidsbeslissing in de zaak Çelik tegen Nederland. In die zaak was in cassatie enkel een klacht aangevoerd die zag op een schending van de inzendtermijn. Deze klacht werd afgedaan op de voet van art. 80a RO. In Straatsburg werd met een beroep op art. 6 en 13 EVRM geklaagd over de lengte van de procedure en een gebrek aan ‘effective remedy’. Het EHRM benadrukte dat lidstaten de recht en plicht hebben ‘to take appropriate measures in order to prevent unmeritorious and frivolous appeals from clogging up their criminal justice systems’. Vervolgens heeft het Hof onderzocht of de klager op de voet van art. 35 lid 3 onder b EVRM kon worden ontvangen in zijn klachten. Deze bepaling luidt:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/52592376257414900081b5487a3d38df7065bc96b8b28f3abc69b3cb21a9181b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 52592376257414900081b5487a3d38df7065bc96b8b28f3abc69b3cb21a9181b, en de alinea staat in dat document op bytes 54314 tot 55595.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/52592376257414900081b5487a3d38df7065bc96b8b28f3abc69b3cb21a9181b | shasum -a 256