Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 oktober 2019

Onder 8.7 Parket bij de Hoge Raad 1 oktober 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 oktober 2019, ECLI:NL:PHR:2019:951.

Gelet op deze rechtspraak lijkt er geen reden om het EHRM om advies te vragen inzake de kwestie of afdoening op de voet van art. 80a RO strijd oplevert met de artikelen 6 en 13 EVRM, indien dit de enige klacht is die in cassatie naar voren is gebracht. De huidige vraag is of het nog verschil uitmaakt of in cassatie ook andere klachten naar voren zijn gebracht. Zo hebben de twee besproken ontvankelijkheidsbeslissingen betrekking op zaken waarin louter was geklaagd over de redelijke termijn. Ook – het middel vestigt daar mede de aandacht op – zijn in de zaak Nelissen door het EHRM vragen gesteld aan Nederland die terug te voeren zijn op de afdoeningspraktijk bij redelijke termijnklachten in het geval er meerdere klachten zijn aangevoerd. Desondanks zie ik onvoldoende aanleiding om aan Straatsburg een prejudicieel advies te vragen. Daarbij wijs ik er allereerst op dat het primair aan de nationale gerechten om mensenrechten te waarborgen. Uit de besproken jurisprudentie blijkt dat de Hoge Raad van oordeel is dat verkorte afdoening van redelijke termijnklachten op de voet van art. 80a RO niet in strijd is met het EVRM, ook als dit niet de enige klacht in cassatie is. Het ligt dan gelet op het subsidiaire karakter van het 16e Protocol niet in de rede om een advisory opinion te vragen. Daarbij roep ik nogmaals in herinnering dat het 16e Protocol geen verplichtingen schept om een advisory opinion te vragen, maar er juist veel vrijheid bestaat voor gerechten om een afweging hieromtrent te maken. Ik acht de koers van de Hoge Raad naar Straatsburgse maatstaven bovendien houdbaar. Daarbij wijs ik op de al besproken argumenten die ervoor pleiten dat de desbetreffende wijze van afdoening niet in strijd is met art. 6 en 13 EVRM. Dat in de zaak Nelissen vragen zijn gesteld aan Nederland, brengt nog niet mee dat de rechtspraak van de Hoge Raad op dit punt in strijd is met het EVRM. Het lijkt mij aangewezen de uitkomst van die zaak af te wachten en niet - in welke richting dan ook - hierop vooruit te lopen. Ik merk daarbij als sluitstuk van de redenering op dat het EHRM uitdrukkelijk oog heeft voor de maatregelen die Staten nemen ‘to prevent unmeritorious and frivolous appeals from clogging up their criminal justice systems’, ook als daarbij het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht om eerlijk proces binnen een redelijke termijn wordt betrokken. Al met al zal het antwoord op de vraag of de art. 6 en 13 EVRM in de weg staan aan toepassing van art. 80a RO, afhankelijk zijn van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij voorkomen moet worden dat beslissing om verkort af te doen niet arbitrair of anderszins manifest onredelijk is. Daarvan is in deze zaak geenszins sprake.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/52592376257414900081b5487a3d38df7065bc96b8b28f3abc69b3cb21a9181b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 52592376257414900081b5487a3d38df7065bc96b8b28f3abc69b3cb21a9181b, en de alinea staat in dat document op bytes 60182 tot 63358.