Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 september 2019
Onder 3.3 Parket bij de Hoge Raad 6 september 2019
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 september 2019, ECLI:NL:PHR:2019:979.
‘3.8.1. Vast staat dat [verweerder] in 2008 grond ter beschikking heeft gesteld om daarop paarden te laten grazen. Van de hieromtrent gemaakte afspraken, die volgens [eiser] de in rov. 3.6. vermelde inhoud hadden, is indertijd geen schriftelijk stuk opgemaakt. Voor de beantwoording van de vraag wie bij die afspraken de wederpartij van [verweerder] is geworden komt het vooral aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs mochten toekennen aan de uitlatingen die zij over en weer hebben gedaan en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Volgens [eiser] zou het zijn bedoeling zijn geweest om de overeenkomst aan te gaan namens [A] . De vraag is dan of [verweerder] in 2007/2008 ook redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat [eiser] bij het aangaan van de overeenkomst optrad als vertegenwoordiger van [A] .
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2cd3c7a201900afd9087aa92eb5680e4c213b4e70b679d3eb196041f7a4d6751. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2cd3c7a201900afd9087aa92eb5680e4c213b4e70b679d3eb196041f7a4d6751, en de alinea staat in dat document op bytes 11769 tot 12667.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2cd3c7a201900afd9087aa92eb5680e4c213b4e70b679d3eb196041f7a4d6751 | shasum -a 256