Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 september 2019
Onder 3.8.2. Parket bij de Hoge Raad 6 september 2019
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 september 2019, ECLI:NL:PHR:2019:979.
[eiser] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan het hof tot het oordeel kan komen dat [verweerder] heeft moeten begrijpen dat hij, [eiser] , optrad namens [A] . [eiser] heeft noch in eerste aanleg, noch in de toelichting op grief 1 in de memorie van grieven, gesteld dat hij dit bij het maken van de afspraak expliciet aan [verweerder] heeft meegedeeld. Het schriftelijk stuk dat eind 2014 is opgemaakt, getiteld “overeenkomst van uitscharing”, biedt ook geen grond om te concluderen dat [eiser] de beweerdelijke afspraak destijds namens [A] heeft gemaakt. Integendeel, die overeenkomst vormt veeleer een bevestiging van de stelling van [verweerder] dat hij met [eiser] heeft afgesproken dat [eiser] zelf het weiland van hem (tijdelijk) in gebruik kreeg ter begrazing door “paarden”.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2cd3c7a201900afd9087aa92eb5680e4c213b4e70b679d3eb196041f7a4d6751. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2cd3c7a201900afd9087aa92eb5680e4c213b4e70b679d3eb196041f7a4d6751, en de alinea staat in dat document op bytes 12757 tot 13594.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2cd3c7a201900afd9087aa92eb5680e4c213b4e70b679d3eb196041f7a4d6751 | shasum -a 256