Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 september 2019

Onder 3.12 Parket bij de Hoge Raad 6 september 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 september 2019, ECLI:NL:PHR:2019:979.

‘3.11.1. Ook ten aanzien van de kwalificatie van de tussen partijen gesloten overeenkomst komt het, nu daaromtrent bij het aangaan ervan niets op papier is gezet, in belangrijke mate aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs mochten toekennen aan de uitlatingen die zij over en weer hebben gedaan en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Dat speelt temeer in dit geval, omdat een pachtovereenkomst zijn eigen wettelijke regeling kent, met name ook met betrekking tot de mogelijkheid om deze op te zeggen. Voorts neemt het hof tot uitgangspunt dat zowel [verweerder] als [eiser] (als directeur grootaandeelhouder van [A] ) op de hoogte moeten zijn geweest van het verschil tussen een pachtovereenkomst en een overeenkomst tot gebruik van bepaalde gronden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2cd3c7a201900afd9087aa92eb5680e4c213b4e70b679d3eb196041f7a4d6751. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2cd3c7a201900afd9087aa92eb5680e4c213b4e70b679d3eb196041f7a4d6751, en de alinea staat in dat document op bytes 25221 tot 26071.