Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 september 2019

Onder 3.19 Parket bij de Hoge Raad 6 september 2019

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 september 2019, ECLI:NL:PHR:2019:979.

Ten slotte de klacht bedoeld onder 3.13 sub e. Een verweer tegen een ingestelde vordering dient op zijn eigen merites te worden beoordeeld, óók als gedaagde nalaat een voor de hand liggende vordering in reconventie in te stellen. Zonder toelichting is niet begrijpelijk dat de proceshouding van [eiser] in 2015 iets zou zeggen over de inhoud van de overeenkomst zoals die tussen partijen sinds 2007 heeft bestaan. En bovendien: de door het hof bedoelde vordering in reconventie lag juist helemaal niet voor de hand, omdat alleen [eiser] gedaagde partij was en [A] (volgens het standpunt van [eiser] de pachter) dus geen vordering in reconventie kon instellen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2cd3c7a201900afd9087aa92eb5680e4c213b4e70b679d3eb196041f7a4d6751. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2cd3c7a201900afd9087aa92eb5680e4c213b4e70b679d3eb196041f7a4d6751, en de alinea staat in dat document op bytes 33933 tot 34642.