Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 januari 2020

Onder 2.6 Parket bij de Hoge Raad 3 januari 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:10.

In de parlementaire behandeling van het nieuw bewijsrecht (1988) is ten aanzien van art. 843a Rv (oud) opgemerkt dat de eiser tot inzage een rechtmatig belang moet hebben opdat de bezitter van het stuk niet nodeloos wordt lastiggevallen. Eveneens blijkt uit deze wetsgeschiedenis dat het inzagerecht onder meer door de eiser kan worden uitgeoefend voor het leren kennen van de rechtspositie. In de ontstaansgeschiedenis van het huidige art. 843a Rv (2002) is, naar aanleiding van de casus van HR 30 januari 1998, NJ 1998/459, als doel toegevoegd dat het – verruimde – art. 843a Rv ook aan bod kan komen bij het belang dat een partij heeft om (tegen)bewijs te kunnen leveren. De wetgever merkt op dat aangezien voor de mogelijkheid van een vordering op grond van art. 843a Rv als voorwaarde geldt dat daarbij een ‘rechtmatig’ belang komt vast te staan en dat het moet gaan om ‘bepaalde’ bescheiden, zogenaamde fishing expeditions worden voorkomen. Voor het overige is uit de wetsgeschiedenis slechts op te maken dat de enkele interesse van een partij in bepaalde bescheiden niet voldoende is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0bb638d36e81bc5e847076b732a8cf29d7c89a9643c83a5079ec0f2eeee4c6e5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0bb638d36e81bc5e847076b732a8cf29d7c89a9643c83a5079ec0f2eeee4c6e5, en de alinea staat in dat document op bytes 36803 tot 38373.