Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 januari 2020

Onder 2.28 Parket bij de Hoge Raad 3 januari 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:10.

Ook de inhoud van het bescheid waarvan inzage wordt gevorderd, behoeft volgens Sijmonsma niet bekend te zijn. Uit de overweging van de Hoge Raad in het arrest Theodoor Gilissen Bankiers dat er “een redelijke grond is voor de veronderstelling dat de AFM bij de bank een onderzoek heeft ingesteld, althans dat in dit verband enige correspondentie is gewisseld”, blijkt z.i. dat niet vaststaat dat een en ander er is. Ekelmans brengt in herinnering dat in de parlementaire geschiedenis van de wetswijziging van 1988 nog werd aangegeven dat een verzoek betrekking moest hebben op bescheiden waarvan de inhoud de verzoeker in beginsel bekend was , om vervolgens te constateren dat die eis inmiddels is losgelaten. Dat de inhoud van de bescheiden niet bekend behoeft te zijn, past volgens Ekelmans bij hetgeen geldt voor een aanbod tot leveren van getuigenbewijs. Wat de getuigen naar verwachting zullen verklaren hoeft daar immers in beginsel evenmin te worden gesteld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0bb638d36e81bc5e847076b732a8cf29d7c89a9643c83a5079ec0f2eeee4c6e5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0bb638d36e81bc5e847076b732a8cf29d7c89a9643c83a5079ec0f2eeee4c6e5, en de alinea staat in dat document op bytes 62899 tot 64170.