Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 januari 2020

Onder 2.51 Parket bij de Hoge Raad 3 januari 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:10.

Gelet op het voorgaande, ben ik dan ook van oordeel dat het hof het bepaaldheidsvereiste van art. 843a Rv niet geïsoleerd heeft toegepast. Dat het hof niets zou hebben vastgesteld over het rechtmatig belang van Heraeus bij inzage in de bescheiden, is een gevolg van het oordeel van het hof dat de bescheiden waarop de inzagevordering betrekking heeft, onvoldoende zijn bepaald, zodat niet meer wordt toegekomen aan een afzonderlijke beoordeling van het rechtmatig belang. Zoals uit het juridisch kader volgt, zijn er voor toewijsbaarheid van de vordering op grond van art. 843a lid 1 Rv immers drie cumulatieve voorwaarden (zie hiervoor onder 2.3), zodat de andere voorwaarden geen afzonderlijke bespreking meer behoeven indien aan een van deze voorwaarden niet wordt voldaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0bb638d36e81bc5e847076b732a8cf29d7c89a9643c83a5079ec0f2eeee4c6e5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0bb638d36e81bc5e847076b732a8cf29d7c89a9643c83a5079ec0f2eeee4c6e5, en de alinea staat in dat document op bytes 96563 tot 97354.