Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 november 2020

Alinea 121 Parket bij de Hoge Raad 3 november 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 november 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1018.

36. Het vierde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. Namens de verdachte is op 2 mei 2019 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 19 november 2019 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat betekent in deze zaak – de verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis – dat de op zes maanden gestelde inzendingstermijn is overschreden. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden en de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren dient te worden verminderd in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dcf64decb642aa484c2b7d25e401aaa72eb32dc8152322343abae6dd022adc51. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dcf64decb642aa484c2b7d25e401aaa72eb32dc8152322343abae6dd022adc51, en de alinea staat in dat document op bytes 51959 tot 52838.