Citaat | Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2020

Onder 7.18 Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:102.

Het Hof heeft geoordeeld dat op 30 januari 2011 middernacht (i) de kans dat de aandelen in de target niet op de volgende dag geleverd zouden worden en (ii) de kans dat de betrokken werknemers niet op de volgende dag nog bij ‘the Company’ in dienst zouden zijn, beide verwaarloosbaar waren. Dat is een feitelijk oordeel dat mijns inziens op basis van de vaststaande feiten niet onbegrijpelijk is en mijns inziens door het Hof voldoende is gemotiveerd. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de bonusverplichting daarom uiterlijk bij het opstellen van de ontvoegingsbalans(en) van [X] / [G] gepassiveerd moest worden. Het Hof heeft dat gebaseerd op de opvatting dat het om een probleem van totaalwinst zou gaan, althans om een realisatiemoment. Die opvatting acht ik onjuist, maar niet ’s Hofs eindoordeel. Zijn (feitelijke) oordeel houdt immers in dat betaling van de bonussen op het tijdstip van opstellen van de ontvoegingsbalans ‘zo goed als zeker’ was in de zin van het geciteerde arrest HR BNB 2000/269 (zie 7.10), zodat op basis van dat arrest passivering op dat moment niet meer uitgesteld kon worden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7f6573a240fda81f19e40eafff87f8ec904e43ca5190debfd2d73cf252fb9235. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7f6573a240fda81f19e40eafff87f8ec904e43ca5190debfd2d73cf252fb9235, en de alinea staat in dat document op bytes 322095 tot 323331.