Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2020

Onder 3.1. Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:106.

In het middel wordt gesteld dat uit de bewijsvoering van het hof niet kan volgen dat de verdachte wist van het geldbedrag en de voorwerpen die in de verborgen ruimte zijn aangetroffen en ziet daarmee op de bewezenverklaring van het ‘voorhanden hebben’ in de zin van art. 420bis lid 1 aanhef onder b Sr. Voordat ik tot de bespreking van het middel overga zal ik eerst ingaan op de vraag welke vereisten volgens de wetsgeschiedenis en jurisprudentie worden gesteld aan het bewijs van de wetenschap van de aanwezigheid van voorwerpen in de zin van art. 420bis Sr.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e50bbf211dea5e4fac2eff1f0054eadfc3cdd3cd840ac636280bbea877ed50de. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e50bbf211dea5e4fac2eff1f0054eadfc3cdd3cd840ac636280bbea877ed50de, en de alinea staat in dat document op bytes 30093 tot 30671.