Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2020

Onder 4.3. Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:106.

Ik zal eerst ingaan op de tweede klacht, die inhoudt dat de redengevend geachte omstandigheden die door het hof in zijn bewijsoverwegingen worden genoemd strijdig zijn met het gebezigde bewijs. Ik ben het met de steller van het middel eens dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat [betrokkene 3] “in Amsterdam betrokken was geweest bij iets vergelijkbaars (beschikking over grote som geld en geprepareerde auto)”. Uit bewijsmiddel 1 volgt immers enkel dat [betrokkene 3] met twee andere mannen op 30 januari 2017, in een woning gelegen aan [a-straat] is aangehouden en dat een van die andere mannen, te weten [betrokkene 2] , een autosleutel over het balkon gooide en dat die sleutel paste op een auto niet zijnde de auto van de verdachte, waar een verborgen ruimte in was aangetroffen. Uit het bewijsmiddel blijkt bovendien niet dat het [betrokkene 3] was die de beschikking had over de auto met de verborgen ruimte, noch dat hij zou hebben beschikt over een grote som geld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e50bbf211dea5e4fac2eff1f0054eadfc3cdd3cd840ac636280bbea877ed50de. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e50bbf211dea5e4fac2eff1f0054eadfc3cdd3cd840ac636280bbea877ed50de, en de alinea staat in dat document op bytes 42272 tot 43353.