Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2020
Onder 4.4. Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:106.
Dan kom ik toe aan de belangrijkste klacht, namelijk dat de wetenschap van het geldbedrag en de goederen die in de verborgen ruimte in de bodem van de auto zijn aangetroffen, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. Het hof heeft de stelling van de verdachte dat hij niet wist dat het geld en de andere voorwerpen zich in een verborgen ruimte in zijn auto bevonden niet aannemelijk geacht omdat hij als eigenaar en bestuurder geacht wordt te hebben geweten wat er zich in zijn auto bevond. Als het hof hiermee tot uitdrukking heeft willen brengen dat het ontbreken van een verklaring van de verdachte voor de goederen die in de auto zijn aangetroffen een rol mag spelen bij de bewezenverklaring, dan getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat wordt anders als moet worden aangenomen – en van deze aanname ga ik uit – dat het hof van opvatting is dat een eigenaar van een auto zich bewust moet zijn van alles wat zich in of onder die auto bevindt. Die opvatting heeft immers tot gevolg dat een eigenaar en/of bestuurder van een auto strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden, terwijl de vereiste persoonlijke schuld mogelijk ontbreekt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e50bbf211dea5e4fac2eff1f0054eadfc3cdd3cd840ac636280bbea877ed50de. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e50bbf211dea5e4fac2eff1f0054eadfc3cdd3cd840ac636280bbea877ed50de, en de alinea staat in dat document op bytes 43417 tot 44735.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e50bbf211dea5e4fac2eff1f0054eadfc3cdd3cd840ac636280bbea877ed50de | shasum -a 256