Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 januari 2020

Onder 4.30 Parket bij de Hoge Raad 17 januari 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:111.

Ik zie evenmin ruimte voor het aannemen van de mogelijkheid van een uitzondering daarop in bijzondere gevallen, waarin nietigheid van het betreffende besluit van de algemene vergadering (art. 2:14 BW) dan wel de aangewezen sanctie zou zijn indien een bestuurder of commissaris ter zake niet (voldoende) in de gelegenheid is gesteld om als zodanig zijn raadgevende stem te gebruiken conform art. 2:227 lid 7 BW of art. 2:238 lid 2, slotzin BW. Mede gelet op de systematiek van art. 2:14 lid 2 BW, op het generieke karakter van art. 2:227 lid 7 BW en art. 2:238 lid 2, slotzin BW, op het gegeven dat de ratio van die bepalingen opgaat bij ieder besluit van de algemene vergadering, en op het belang van rechtszekerheid, ontbreekt eenvoudigweg grond voor het gerechtvaardigd en verantwoord (kunnen) differentiëren al naar gelang de omstandigheden van het geval, aldus dat in sommige gevallen deze bepalingen wel herleid zouden kunnen worden tot een wettelijke bepaling als bedoeld in art. 2:14 lid 2 BW en in andere gevallen niet.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2efa9075c30b6eb75f9553fd6cb395401f37c1752878cb77750f7bb8d9c85ac5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2efa9075c30b6eb75f9553fd6cb395401f37c1752878cb77750f7bb8d9c85ac5, en de alinea staat in dat document op bytes 95522 tot 96819.