Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 januari 2020

Onder 4.35 Parket bij de Hoge Raad 17 januari 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:111.

Steun vind ik verder in de rechtspraak. Ik wijs op de reeds genoemde arresten inzake ‘Janssen Pers’ en ‘Hay Group’, die mede draaien om art. 2:227 lid 4 BW (oud) en art. 2:238 BW (oud). Het is waar dat de Hoge Raad zich in deze arresten niet met zoveel woorden uitlaat over de gevolgen voor een besluit van de algemene vergadering – dus: de sanctie van nietigheid op de voet van art. 2:14 BW, of van vernietigbaarheid op de voet van art. 2:15 BW) – van het niet (voldoende) in de gelegenheid gesteld zijn van een bestuurder of commissaris om als zodanig zijn raadgevende stem te gebruiken. Niettemin sluit het aanhouden van het schema van art. 2:15 BW wel naadloos aan op deze twee gevallen, die de toepasselijkheid van dát schema ‘ademen’.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2efa9075c30b6eb75f9553fd6cb395401f37c1752878cb77750f7bb8d9c85ac5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2efa9075c30b6eb75f9553fd6cb395401f37c1752878cb77750f7bb8d9c85ac5, en de alinea staat in dat document op bytes 111208 tot 112170.