Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 november 2020

Onder 3.4 Parket bij de Hoge Raad 27 november 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 november 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1127.

Ik keer nu terug naar het subonderdeel. Het zal, gelet op het voorgaande, duidelijk zijn dat de daarin aangereikte argumenten wat mij betreft niet meebrengen dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting in rov. 5.7, 5.9 en 5.10 zoals bedoeld in het subonderdeel. Naar daaruit volgt, neemt het subonderdeel ten onrechte tot vertrekpunt dat er in het hier voorliggende geval slechts één rechtens relevante “melding van betalingsonmacht” is, namelijk die van 4 december 2009 (en niet ook enige melding daarna, specifiek later in december 2009 en in 2010), reden waarom er hier slechts één driejaarstermijn van art. 23 lid 3 Wet Bpf 2000 zou zijn die in tijd teruggerekend moet worden vanaf het tijdstip van die ene melding, en er hier ‘dus’ geen grond zou bestaan voor het voor doeleinden van de op basis van art. 23 lid 3 Wet Bpf 2000 te beoordelen bestuurdersaansprakelijkheid van [eiser] jegens het Pensioenfonds (ook) in aanmerking nemen van omstandigheden van na die ene melding (vallend “buiten de referteperiode van drie jaar voorafgaand aan de melding van betalingsonmacht”). Niet alleen vindt deze opvatting geen steun in het recht, dat vertrekpunt is door het hof - mede gelet op rov. 5.7 - ook niet gehanteerd: voor zover het subonderdeel uitgaat van een andere lezing van het arrest, mist het feitelijke grondslag. Nu er hier - zoals door het hof dus onderkend - ook rechtens relevante meldingen zijn in de periode na de melding van betalingsonmacht van 4 december 2009 (specifiek later in december 2009 en in 2010), zodat de driejaarsperiode van art. 23 lid 3 Wet Bpf 2000 hier niet beperkt is tot enkel drie jaar voorafgaand aan het tijdstip van die melding van 4 december 2009 maar tevens relevant is voor meldingen die later in december 2009 en in 2010 geacht moeten worden te zijn gedaan (bezien vanuit de tijdstippen van die respectieve meldingen, wat dus ook omstandigheden later in december 2009 en in 2010 omvat), valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien waarom het hof in rov. 5.7, tweede zin, door te overwegen zoals het daar doet, zou hebben miskend dat (zowel de tekst als de wetsgeschiedenis van art. 23 lid 3 Wet Bpf 2000 duidelijk maakt dat) (hoofdelijke) aansprakelijkheid van een bestuurder ex art. 23 lid 3 Wet Bpf 2000 vergt dat aannemelijk is dat het niet betalen van de verschuldigde bijdragen het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaar voorafgaande aan het tijdstip van de daarin bedoelde mededeling. Zoals hiervoor uiteengezet, strookt die lijn van het hof in rov. 5.7-5.10 ook met het onder 2.11 hiervoor weergegeven oordeel in rov. 5.3 van de Hoge Raad in deze zaak. Daarmee valt tevens de bodem weg onder het subonderdeel waar het, voortbouwend op de klacht over rov. 5.7, tweede zin van het hof, klaagt over rov. 5.9 en 5.10 van het hof. Aldus dat het hof daarin, uitgaande van die door het subonderdeel voorgestane opvatting, ten onrechte omstandigheden van na 4 september 2009 in aanmerking zou hebben genomen, wat zou vallen “buiten de referteperiode van drie jaar voorafgaand aan de melding van betalingsonmacht” op die datum. Ook dit laatste valt, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/df5581ea39a1d85bd7731a5578967dda22de8c77b9fc781b9e513e7d016527a7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt df5581ea39a1d85bd7731a5578967dda22de8c77b9fc781b9e513e7d016527a7, en de alinea staat in dat document op bytes 59118 tot 62513.