Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 november 2020

Onder 3.4 Parket bij de Hoge Raad 27 november 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 november 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1127.

Indien het lichaam op juiste wijze aan zijn in art. 23 lid 2 Wet Bpf 2000 bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder ter zake (hoofdelijk) aansprakelijk indien aannemelijk is dat het niet betalen van de genoemde bijdragen het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaar voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling (art. 23 lid 3 Wet Bpf 2000 in verbinding met art. 23 lid 1 Wet Bpf 2000). De stelplicht en bewijslast ter zake rusten dan in beginsel op het bedrijfstakpensioenfonds. In de onderhavige zaak ligt deze situatie voor, wat door [eiser] in cassatie ook niet wordt betwist. Indien het lichaam niet of niet op de juiste wijze aan zijn in art. 23 lid 2 Wet Bpf 2000 bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder op voet van art. 23 lid 3 Wet Bpf 2000 ter zake (hoofdelijk) aansprakelijk met dien verstande dat vermoed wordt dat de niet-betaling aan hem is te wijten en dat de periode van drie jaar geacht wordt in te gaan op het tijdstip waarop het lichaam in gebreke is (met het naleven van de meldingsplicht); tot de weerlegging van het vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten is dat het lichaam niet aan de genoemde verplichting heeft voldaan (art. 23 lid 4 Wet Bpf 2000). In de onderhavige zaak ligt deze situatie dus niet voor. De bestuurder kan overigens slechts worden aangesproken indien het lichaam met de betaling van de verschuldigde bijdragen in gebreke is (art. 23 lid 5 Wet Bpf 2000). Het voorgaande laat zien dat, zoals in de wetsgeschiedenis van art. 23 Wet Bpf 2000 is opgemerkt, de daarin vervatte meldingsregeling de bestuurder van het lichaam “dwingt tot actie, wanneer het lichaam in betalingsmoeilijkheden komt te verkeren” en “beoogt te bewerkstelligen dat het bedrijfstakpensioenfonds op een vroegtijdig tijdstip op de hoogte geraakt van de moeilijkheden waarin het lichaam verkeert”, opdat het bedrijfstakpensioenfonds zich dan, mede op grond van de overlegde gegevens en de verkregen inlichtingen, kan beraden op de opstelling die het ten aanzien van het lichaam zal innemen. Het voorgaande laat ook zien dat indien het lichaam op juiste wijze aan zijn in art. 23 lid 2 Wet Bpf 2000 bedoelde verplichting heeft voldaan en art. 23 lid 3 Wet Bpf 2000 toepassing vindt, dit niet uitsluit dat een bestuurder in dat verband toch (hoofdelijke) aansprakelijkheid ter zake ten deel kan vallen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/df5581ea39a1d85bd7731a5578967dda22de8c77b9fc781b9e513e7d016527a7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt df5581ea39a1d85bd7731a5578967dda22de8c77b9fc781b9e513e7d016527a7, en de alinea staat in dat document op bytes 44255 tot 47111.