Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 november 2020
Onder 3.4 Parket bij de Hoge Raad 27 november 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 november 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1127.
Het voorgaande strookt met het onder 2.11 hiervoor weergegeven oordeel in rov. 5.3 van de Hoge Raad in deze zaak, aldus dat indien een melding van betalingsonmacht op de voet van art. 23 lid 2 Wet Bpf 2000 is gedaan, niet opnieuw een zodanige melding behoeft te worden gedaan zolang nog sprake is van een betalingsachterstand, tenzij het bedrijfstakpensioenfonds de betalingsplichtige na ontvangst van een betaling schriftelijk doet weten de betalingsonmacht niet langer aanwezig te achten. Daarmee verwierp de Hoge Raad de klacht die was gericht tegen het oordeel in rov. 4.8 van het arrest van 25 augustus 2015 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat, kort gezegd, met de door [eiser] op 4 december 2009 gedane melding van betalingsonmacht ook tijdig melding is gedaan over de betalingsonmacht van [A] nadien, dus ten aanzien van toekomstige betalingsverplichtingen inzake pensioenpremies (hier specifiek later in december 2009 en in 2010). Zoals ook de verwijzing door de Hoge Raad in die rov. 5.3 naar zijn arrest van 2007 inzake de toepassing van art. 36 lid 2 Iw 1990 bevestigt, is de strekking van deze ‘doorlopende melding’ dat zo’n tijdig en correct gedane melding van betalingsonmacht (hier dus op 4 december 2009) naar de toekomst haar werking niet verliest maar behoudt gedurende de bedoelde periode (‘zolang nog sprake is van een betalingsachterstand, tenzij’), waarmee op de in die periode relevante en te onderscheiden peilmomenten dus telkens geacht moet worden te zijn voldaan aan de in art. 23 lid 2 Wet Bpf 2000 bedoelde verplichting (oftewel: ten aanzien van de desbetreffende nieuwe betalingsverplichting inzake pensioenpremies is dan aldus rechtsgeldig melding gedaan van betalingsonmacht, en is daarmee dus steeds sprake van een te onderscheiden melding), zonder dat daartoe ook nog opnieuw een zodanige, daadwerkelijke melding behoeft te worden gedaan. Ter markering van het tijdstip van de mededeling in de zin van art. 23 lid 3 Wet Bpf 2000 in een dergelijk geval (bij gebreke aan zo’n daadwerkelijke melding), met het oog ook op de berekening van de driejaarsperiode van art. 23 lid 3 Wet Bpf 2000 (waarvoor dat tijdstip ook dan het aanknopingspunt vormt), kan worden aangesloten bij de dag waarop ter zake uiterlijk betalingsonmacht had moeten worden gemeld op de voet van art. 23 lid 2 Wet Bpf 2000 als geen sprake zou zijn geweest van een doorlopende melding.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/df5581ea39a1d85bd7731a5578967dda22de8c77b9fc781b9e513e7d016527a7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt df5581ea39a1d85bd7731a5578967dda22de8c77b9fc781b9e513e7d016527a7, en de alinea staat in dat document op bytes 52665 tot 55337.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/df5581ea39a1d85bd7731a5578967dda22de8c77b9fc781b9e513e7d016527a7 | shasum -a 256