Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 november 2020

Onder 3.17 Parket bij de Hoge Raad 20 november 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 november 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1188.

Ik meen dat deze klacht doel treft. Het oordeel van het hof komt erop neer dat toepassing van art. 3:306 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is op de enkele grond dat, volgens wat het hof heeft aangenomen, [de legatarissen] pas in 2014 bekend waren met de door oma aan hen gelegateerde bedragen en dat hieraan niet afdoet dat [de weduwe en kinderen van de zoon] door het overlijden van [de zoon] en door het tijdsverloop in hun bewijslevering worden bemoeilijkt. Terecht voert de steller van het middel aan dat een en ander voor het terzijde stellen van de objectieve verjaringstermijn van art. 3:306 BW onvoldoende is. Gelet op de belangen die deze termijn beoogt te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, zal van onaanvaardbaarheid als in art. 6:2 lid 2 BW bedoeld slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn. Hier doet zich niet het geval voor dat de feiten waarop het ontstaan van de desbetreffende aanspraak berust, naar hun aard verborgen zijn gebleven tot en met het moment dat de verjaring intrad. [de legatarissen] wisten dat oma was overleden. Of oma een testament had gemaakt, en zo ja wat de inhoud daarvan was, hadden zij kunnen onderzoeken. Door het hof zijn ook geen andere feiten en omstandigheden vastgesteld die een uitzonderlijk karakter dragen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a4e3c0fbbf12e15434f93cb3b57026cee1653b617b8c061eab5b0806fd9fc9fc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a4e3c0fbbf12e15434f93cb3b57026cee1653b617b8c061eab5b0806fd9fc9fc, en de alinea staat in dat document op bytes 40360 tot 41709.