Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 december 2020
Onder 2.10 Parket bij de Hoge Raad 18 december 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 december 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1202.
Dat schadevergoeding in natura wetssystematisch bezien op één lijn staat met schadevergoeding in geld, blijkt ook uit de derde volzin van art. 6:103 BWC. Daarin is bepaald dat de benadeelde zijn bevoegdheid om schadevergoeding in geld te verlangen ‘herkrijgt’, wanneer de aansprakelijke niet binnen redelijke termijn voldoet aan een veroordeling tot schadevergoeding in natura. Een veroordeling tot schadevergoeding in natura is dus niet alleen uitzonderlijk, maar ook tijdelijk van aard, in die zin dat de benadeelde bij niet-nakoming binnen een redelijke, door de rechter te bepalen termijn, alsnog zijn reguliere aanspraak op schadevergoeding in geld geldend kan maken. Hieraan ligt kennelijk de eerder geciteerde gedachte van de wetgever ten grondslag, dat een alternatieve vergoedingsvorm na verloop van tijd zijn aantrekkelijkheid voor de benadeelde kan verliezen (vgl. alinea 2.6 hiervoor).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0dea9331002bf1275d6fdb95063b11933b791bced39c4723584ddbf91914faa2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0dea9331002bf1275d6fdb95063b11933b791bced39c4723584ddbf91914faa2, en de alinea staat in dat document op bytes 44898 tot 45815.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0dea9331002bf1275d6fdb95063b11933b791bced39c4723584ddbf91914faa2 | shasum -a 256