Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 december 2020
Onder 2.30 Parket bij de Hoge Raad 18 december 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 december 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1202.
Onderdeel 4 heeft eveneens een voortbouwend karakter. Geklaagd wordt dat het hof zou hebben miskend dat uit (de derde volzin van) art. 6:103 BWC volgt dat, indien (wel) tijdig wordt voldaan aan een veroordeling tot schadevergoeding in natura (zoals de strandexploitant in appel had aangevoerd), de benadeelde in zoverre níet zijn bevoegdheid herkrijgt om schadevergoeding in geld te verlangen. De appelrechter zou dan niet de vrijheid hebben om in appel de vorm van de schadevergoeding te wijzigen, althans niet bij gebreke van een daartoe strekkende wijziging van eis van de zijde van de benadeelde. In dit verband wordt, onder verwijzing naar de tostandkomingsgeschiedenis van art. 6:103 BW, betoogd dat de wetgever bewust niet heeft gekozen voor een systeem waarin de vorm van de schadevergoeding geheel aan de rechter is overgelaten ( onderdeel 4.1 ). De motiveringsklacht van onderdeel 2.3, betreffende het door de strandexploitant gedane beroep op naleving van de veroordeling in eerste aanleg, wordt in dit verband herhaald ( onderdeel 4.2 ).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0dea9331002bf1275d6fdb95063b11933b791bced39c4723584ddbf91914faa2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0dea9331002bf1275d6fdb95063b11933b791bced39c4723584ddbf91914faa2, en de alinea staat in dat document op bytes 67767 tot 68950.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0dea9331002bf1275d6fdb95063b11933b791bced39c4723584ddbf91914faa2 | shasum -a 256