Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 december 2020

Onder 2.5 Parket bij de Hoge Raad 18 december 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 december 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1202.

In de Toelichting Meijers bij art. 6:103 BW is benadrukt dat schadevergoeding in geld ‘de regel’ blijft en dat daarvan ‘alleen om bijzondere redenen’ moet worden afgeweken. Ter onderbouwing is opgemerkt dat een veroordeling tot schadevergoeding in natura het bezwaar heeft, ‘dat over de uitvoering nieuwe moeilijkheden kunnen ontstaan’ en dat deze vorm van schadevergoeding daarom ‘in de meeste gevallen niet praktisch’ is. Inderdaad wordt art. 6:103 BW in de praktijk betrekkelijk weinig toegepast, al is in de literatuur wel een ruimere toepassing bepleit. Een voor de praktijk belangrijke toepassing is de in 2017 door de Hoge Raad aanvaarde mogelijkheid dat een bezitter te kwader trouw die door extinctieve verjaring van de revindicatievordering rechthebbende is geworden (art. 3:105 BW), op vordering van de benadeelde kan worden veroordeeld om ‘bij wijze van schadevergoeding de wederrechtelijk in bezit genomen zaak aan de benadeelde in eigendom over te dragen’.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0dea9331002bf1275d6fdb95063b11933b791bced39c4723584ddbf91914faa2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0dea9331002bf1275d6fdb95063b11933b791bced39c4723584ddbf91914faa2, en de alinea staat in dat document op bytes 39220 tot 40415.