Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 februari 2020

Onder 3.39 Parket bij de Hoge Raad 14 februari 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:141.

Het subonderdeel verwijst – onder II – verder nog naar de tekst bij randnummers 67. tot en met 69., 71., 85., 88. en 137. van de memorie van grieven (zie p. 14 en 15 van de procesinleiding). Volgens het subonderdeel kunnen de daar door [eiser] ingenomen stellingen niet anders worden begrepen dan dat [eiser] heeft gesteld dat [A] door bewijslevering de onjuistheid van de aanslag van de inspecteur in rechte had kunnen aantonen en daarmee de procedure zou hebben gewonnen. Het subonderdeel voert vervolgens aan dat dit niet anders kan worden begrepen dan dat [eiser] wel degelijk heeft gesteld dat indien het rechtsmiddel van beroep wel deugdelijk was ingesteld in die zin dat de gronden wel tijdig en volledig waren ingediend, de procedure wel degelijk was gewonnen en dat er dus schade is als gevolg van de beroepsfout van [verweerster 2] . Mijns inziens stuit deze klacht af op de overweging van het hof in rov. 3.10.8. dat [eiser] de conclusie dat uit de reactie van de Inspecteur van 22 november 2010 blijkt dat hij uit de inhoud van de brief van 7 oktober 2010 heeft afgeleid dat er om zakelijke redenen geen investeringsvoornemen aanwezig was, onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, nu zij geen kopie van deze brief heeft overgelegd. Uitgaande van dit oordeel heeft het hof in rov. 3.10.9. ingeschat dat de aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2007 in de hypothetische situatie dat [verweerster 2] de beroepsgronden tijdig bij de rechtbank zou hebben ingediend, niet zou zijn vernietigd. Het hof schat in dat aan de hand van de uitlatingen van [A] BV in de brief van 7 oktober 2010 zou worden vastgesteld dat zij om zakelijke redenen niet wilde herinvesteren. Het hof heeft dus veel gewicht toegekend aan de door [eiser] niet overgelegde brief van 7 oktober 2010. Mijns inziens heeft het hof dit mogen doen. Ik verwijs in dit verband naar hetgeen ik in het kader van mijn beoordeling van de klacht onder I van subonderdeel 2.2.3 heb overwogen. Hieruit volgt dat het hof niet gehouden was om (ook nog) afzonderlijk in te gaan op de stellingen die [eiser] heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar standpunt dat zij de procedure bij de belastingrechter zou hebben gewonnen. Hierop stuit overigens ook af de klacht halverwege p. 15 van de procesinleiding dat “ook hier”, mutatis mutandis , hetzelfde geldt als in subonderdeel 2.1.3, te weten dat de toelichting in Deel B van de memorie van grieven dient te worden betrokken bij ‘die grieven’ (waarbij hier naar mag worden aangenomen grief 8 bedoeld is).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/caf8d5830592f12a0eff1420b8e163c27c8ad1293b75076dbdaedbf7f93203c3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt caf8d5830592f12a0eff1420b8e163c27c8ad1293b75076dbdaedbf7f93203c3, en de alinea staat in dat document op bytes 91737 tot 94387.