Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 februari 2020

Onder 3.43 Parket bij de Hoge Raad 14 februari 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:141.

In de kern klaagt het subonderdeel dat het hof het bewijsaanbod van [eiser] niet heeft mogen passeren, hetgeen overigens ook blijkt uit het feit dat in het subonderdeel de frase “passeert daarmee ook het expliciet gedane bewijsaanbod” is onderstreept. Mijns inziens heeft het hof het bewijsaanbod wel mogen passeren. Ik verwijs naar mijn beoordeling van subonderdeel 2.2.3 onder I (hiervoor randnummer 3.35). [eiser] heeft de brief van 7 oktober 2010 in hoger beroep niet overgelegd, ondanks de ‘wenk’ van de rechtbank in rov. 4.4.3. van haar vonnis van 2 december 2015, welke rechtsoverweging moet worden gelezen in samenhang met rov. 4.4.2., waarin is geoordeeld dat [eiser] niet (alleen tegenover de Inspecteur, maar ook in de procedure bij de rechtbank niet) aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een herinvesteringsvoornemen. De rechtbank heeft in rov. 4.4.3. overwogen dat [eiser] , hoewel dit op haar weg lag, heeft nagelaten dit standpunt (dat sprake was van een herinvesteringsvoornemen) nader toe te lichten en met verificatoire bescheiden (lees: met controleerbare stukken) te onderbouwen. Volgens de rechtbank heeft [eiser] niet voldaan aan de op haar rustende stelplicht. De rechtbank heeft het bewijsaanbod van [eiser] als niet ter zake doende gepasseerd. In rov. 4.4.4. heeft de rechtbank overwogen dat nu [eiser] niet aan haar stelplicht heeft voldaan, het ervoor moet worden gehouden dat de beroepsrechter bij een inhoudelijke behandeling het door [A] BV ingestelde beroep ongegrond zou hebben verklaard. Het hof heeft hierop voortgebouwd in rov. 3.10.9.: ook het hof heeft het door [eiser] gedane aanbod te bewijzen dat er continu een voornemen tot herinvesteren bestond, gepasseerd. Zoals ik zojuist al opmerkte, heeft het hof dit mogen doen. In de eerste plaats omdat [eiser] , na de ‘wenk’ van de rechtbank, het belang van (het in het geding brengen van) de brief van 7 oktober 2010 had moeten beseffen. In de tweede plaats omdat het hof ervan heeft mogen uitgaan dat, gelet op het belang van de brief, de stellingen die [eiser] heeft ingenomen ter onderbouwing van haar standpunt dat wel sprake was van een herinvesteringsvoornemen, en haar bewijsaanbod op dit punt, niet ter zake doen zolang het hof niet beschikt over de brief en niet (zelf) kan lezen wat daarin staat. Subonderdeel 2.2.4 faalt derhalve.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/caf8d5830592f12a0eff1420b8e163c27c8ad1293b75076dbdaedbf7f93203c3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt caf8d5830592f12a0eff1420b8e163c27c8ad1293b75076dbdaedbf7f93203c3, en de alinea staat in dat document op bytes 97787 tot 100185.