Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 februari 2020
Onder 3.62 Parket bij de Hoge Raad 14 februari 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:141.
Subonderdeel 2.3.2 vangt aan met de stelling dat ook overigens de aansprakelijkheid van [verweerster 2] wordt gebaseerd op het feit dat hij niet heeft gewaarschuwd tegen mogelijke toepasselijkheid van art. 12a Wet Vpb. Het subonderdeel verwijst in dit verband naar de randnummers 45., 46. en 87. van de memorie van grieven. Het subonderdeel sluit af met de opmerkingen dat [verweerster 2] zelf in zijn conclusie heeft gesteld dat de wetgever handel in de HIR ongewenst achtte en daarom art. 15e Wet Vpb (oud) 1969, thans art. 12a Wet Vpb 1989 heeft ingevoerd per 1 januari 2001. Vanaf dat moment dient dus elke redelijk bekwaam handelend belastingadviseur bij zijn advisering rekening te houden met (de mogelijke toepasselijkheid van) deze bepaling. Het subonderdeel merkt op dat deze wetgeving reeds sinds 2001, dat wil zeggen ruim vóór de verkoop van de aandelen in [A] BV, geldt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/caf8d5830592f12a0eff1420b8e163c27c8ad1293b75076dbdaedbf7f93203c3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt caf8d5830592f12a0eff1420b8e163c27c8ad1293b75076dbdaedbf7f93203c3, en de alinea staat in dat document op bytes 117447 tot 118392.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/caf8d5830592f12a0eff1420b8e163c27c8ad1293b75076dbdaedbf7f93203c3 | shasum -a 256