Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 februari 2020
Onder 3.68 Parket bij de Hoge Raad 14 februari 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:141.
Onderdeel 2.4 is gericht tegen rov. 3.11. Nadat deze rechtsoverweging is geciteerd, wordt de klacht geformuleerd. Deze houdt in dat het oordeel van het hof dat [eiser] te weinig zou hebben gesteld omtrent het feit dat een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in 2007 niet tot het geven van dit advies had kunnen overgaan, rechtens onjuist en zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is, althans onvoldoende gemotiveerd, gelet op het bepaalde in art. 149 Rv. Daarop volgt de toelichting. Daarbij wordt eerst een alinea gewijd aan het standpunt van BDO ter zake, waarbij wordt verwezen naar vindplaatsen in de memorie van antwoord, de conclusie van antwoord en de conclusie van dupliek van BDO. Daarna voert het subonderdeel aan dat, zoals al in subonderdeel 2.3.2 ten aanzien van [verweerster 2] is gesteld, de stand van de in 2001 ingevoerde wetgeving in 2007 reeds zodanig was, dat die bij een professionele adviseur als BDO bekend was of moest zijn. Dat die dat ook was volgt uit de eigen stellingen van BDO dat zij art. 12a Wet Vpb heeft onderkend, maar (zelf) niet van toepassing achtte. Daarvan heeft [eiser] gesteld dat dit advies onjuist was met een verwijzing naar de stellingen van (de advocaat van) [verweerster 2] . Daarin ligt besloten, zo vervolgt het onderdeel, dat het eigenlijke verwijt dat [eiser] aan BDO maakt, is dat zij zonder enig voorbehoud heeft geadviseerd dat art. 12a Wet Vpb niet van toepassing was en dat op basis daarvan de koopovereenkomst is gesloten, waarbij rekening werd gehouden met de herinvesteringsreserve, terwijl dit later op zijn minst voor discussie vatbaar bleek te zijn, met als gevolg dat zij, althans [A] ( [A] BV), nu tussen wal en schip is gevallen, omdat zij, als gevolg van een beroepsfout van [verweerster 2] in haar beroep bij de belastingrechter niet-ontvankelijk is verklaard. [eiser] , zo besluit het onderdeel, is dan ook van mening is dat BDO bij deze stand van de wetenschap van 2007, indringend had moeten waarschuwen dat art. 12a Wet Vpb in elk geval bestond en er een kans was dat dit artikel toepasselijk zou kunnen zijn, althans zou worden ingeroepen, een klacht die in de memorie van grieven ook met zoveel woorden naar voren is gebracht. Het hof heeft dit alles hetzij miskend, het zij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/caf8d5830592f12a0eff1420b8e163c27c8ad1293b75076dbdaedbf7f93203c3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt caf8d5830592f12a0eff1420b8e163c27c8ad1293b75076dbdaedbf7f93203c3, en de alinea staat in dat document op bytes 124886 tot 127317.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/caf8d5830592f12a0eff1420b8e163c27c8ad1293b75076dbdaedbf7f93203c3 | shasum -a 256