Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 februari 2020

Onder 3.13 Parket bij de Hoge Raad 21 februari 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 februari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:171.

De enkele omstandigheid dat met betrekking tot de uitleg van bepalingen van jaarrekeningrecht rechtsonzekerheid bestaat en de praktijk behoefte heeft aan een rechtelijke uitspraak die tot richtsnoer kan dienen, brengt nog niet noodzakelijk mee dat aan het vereiste van een openbaar belang als bedoeld in de wet is voldaan (rov. 4.6). Maeijer concludeert in zijn noot onder het arrest dat de Hoge Raad aan de hand van de bedoelde feiten en omstandigheden integraal beoordeelt of een openbaar belang aanwezig is. A-G Verburg wijst er in zijn conclusie voor het Nedlloyd -arrest op dat de toevoeging in het openbaar belang beoogt te verzekeren “dat een rechtspersoon niet ten onrechte, dus onnodig, in een bezwarende jaarrekeningprocedure verwikkeld raakt.” De civielrechtelijke context van de jaarrekeningprocedure brengt anders gezegd met zich dat de reikwijdte van de “handhaving” beperkter is dan het geval zou zijn als bijvoorbeeld een vennootschapskamer was ingesteld. Ook bij de toepassing van de kringleer van art. 2:448 onder a BW gaat het volgens mij om zo’n integrale beoordeling, waarbij dus niet de hoedanigheid van de verzoeker zonder meer doorslaggevend is, maar bijvoorbeeld ook het belang van de rechtspersoon een rol kan spelen. Willems heeft in dat verband over de kringleer in de jaarrekeningprocedure opgemerkt:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8c8d0ad9cd22d07a6094ffbbf4bd78f7e171f86797e3e11a7da62dc6dca37757. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8c8d0ad9cd22d07a6094ffbbf4bd78f7e171f86797e3e11a7da62dc6dca37757, en de alinea staat in dat document op bytes 99319 tot 101026.