Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 januari 2020

Onder 3.4 Parket bij de Hoge Raad 10 januari 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:18.

Anders dan de klacht betoogt, heeft het hof onderkend dat de grondslag van de regresvordering van Reaal op Centraal Beheer niet moet worden gezocht in een hoofdelijk verbonden schuldenaarschap (ex art. 6:102 lid 1 jo. afdeling 6.1.2 BW), maar gelegen is in art. 7:961 lid 3 BW. Dit blijkt duidelijk uit rov. 4.1 onder a. en het dictum van het eindarrest, waarin het hof heeft overwogen dat de vordering van Reaal op Centraal Beheer is gebaseerd op art. 7:961 lid 3 BW en waarin het hof voor recht heeft verklaard dat Centraal Beheer uit hoofde van art. 7:961 lid 3 BW draagplichtig is jegens Reaal. De klacht faalt daarmee wegens gemis aan feitelijke grondslag. Daarbij komt dat het hof op de verjaring van deze op art. 7:961 lid 3 BW gebaseerde regresvordering het (regime van het) ASR/Achmea -arrest analoog heeft toegepast en dat mocht het hof mijns inziens ook doen (zie daarvoor randnummers 3.7 e.v. van deze conclusie). Deze toepassing door het hof verrast ook niet, nu beide partijen in feitelijke instanties een beroep hebben gedaan op de (analoge) toepasselijkheid van het ASR/Achmea -arrest. Zij zijn het er alleen niet over eens op welke wijze dit arrest moet worden uitgelegd c.q. analoog moet worden toegepast op de onderhavige zaak. Centraal Beheer heeft op basis van het ASR/Achmea -arrest namelijk betoogd dat het regresrecht van Reaal op Centraal Beheer is ontstaan op de dag dat Reaal de eerste betaling aan [betrokkene 1] heeft gedaan, zodat daags daarna de verjaringstermijn is ingegaan. Aansluitend hierop heeft Centraal Beheer aangevoerd – op basis van onder meer het Van B./Vereniging voor Diaconessenarbeid II -arrest (waarnaar Uw Raad in het ASR/Achmea -arrest verwijst, A-G) – dat de verjaring op de volledige vordering van Reaal jegens Centraal Beheer ziet omdat voor het aanvangen van de verjaring niet is vereist dat de omvang van de vordering exact vaststaat. Reaal heeft daarentegen op basis van hetzelfde ASR/Achmea -arrest betoogd dat bij ieder afzonderlijk betaald bedrag een aparte verjaringstermijn gaat lopen. De analoge toepassing door het hof komt, kortom, niet uit de lucht vallen. Gezien het vorenstaande faalt de klacht in randnummers 3.2. en 3.3. van de procesinleiding .

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7bbd395e71cf4fafad2b9666e4b87aea8dc24f89683e219b0e85bd4964b9a4c2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7bbd395e71cf4fafad2b9666e4b87aea8dc24f89683e219b0e85bd4964b9a4c2, en de alinea staat in dat document op bytes 50703 tot 53566.