Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 januari 2020
Onder 3.9 Parket bij de Hoge Raad 10 januari 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:18.
Afdeling 2 van Titel 1 van Burgerlijk Wetboek Boek 6 (pluraliteit van schuldenaren en hoofdelijke verbondenheid) is volgens de parlementaire geschiedenis niet van toepassing op samenloop van verzekeringen (zie ook randnummer 3.7 van deze conclusie onder E.), maar uit de parlementaire geschiedenis wordt afgeleid dat de bepalingen van deze afdeling in zo’n geval analoog kunnen worden toegepast. Het leerstuk van samenloop van verzekeringen (art. 7:961 lid 3 BW) vertoont veel gelijkenis met het leerstuk van de hoofdelijke verbondenheid van schuldenaren (in het bijzonder art. 6:10 BW). In beide gevallen heeft de verzekeraar/hoofdelijk schuldenaar een regresrecht op een andere verzekeraar/hoofdelijk schuldenaar voor zover hij meer heeft betaald dan in de verhouding tot de andere verzekeraar(s)/hoofdelijk schuldenaar (schuldenaren) voor zijn rekening dient te komen. Het hof heeft mijns inziens dan ook kunnen oordelen dat uit het ASR/Achmea -arrest kan worden afgeleid dat voor de regresvordering ex art. 7:961 lid 3 BW (net als voor een regresvordering van een hoofdelijk verbonden schuldenaar) geldt dat deze regresvordering pas ontstaat (en opeisbaar wordt) op het moment dat de verzekeraar de schuld aan de verzekeringnemer voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem in de verhouding tot de andere verzekeraar(s) aangaat. Hierbij merk ik opnieuw op dat Centraal Beheer ook zelf expliciet, met verwijzing naar het ASR/Achmea -arrest, in feitelijke instanties heeft betoogd dat het regresrecht van Reaal op Centraal Beheer is ontstaan op de dag dat Reaal de eerste betaling aan [betrokkene 1] heeft gedaan (randnummer 3.4 van deze conclusie). Nu Uw Raad in hetzelfde arrest heeft geoordeeld dat voor art. 3:310 lid 1 BW geldt dat de korte verjaringstermijn niet eerder een aanvang kan nemen dan op de dag na die waarop de schadevordering opeisbaar is geworden (ook indien voordien reeds bekend is dat de schade geleden zal worden geleden en wie de aansprakelijke persoon is) en daarnaast in cassatie niet is bestreden dat de onderhavige regresvordering kan worden beschouwd als een rechtsvordering tot vergoeding van schade in de zin van art. 3:310 lid 1 BW , kan niet worden gezegd dat het hof ten onrechte het verjaringsregime met betrekking tot hoofdelijk schuldenaren (zij het analoog) heeft gehanteerd. De klacht in randnummer 3.4. van de procesinleiding faalt daarom. De klacht uit randnummer 3.5. en 1e zin van randnummer 3.6. van de procesinleiding van de procesinleiding kan evenmin slagen, omdat het hof niet heeft miskend dat voor het aanvangen van de korte verjaringstermijn bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon is vereist. De klacht miskent juist dat de verjaring in het regime van ASR/Achmea ondanks bekendheid met schade en aansprakelijke persoon nog niet is gaan lopen zolang de vordering nog niet (ontstaan en) opeisbaar is (randnummer 3.8, onder v., van deze conclusie). Het hof heeft dienovereenkomstig geoordeeld (zij het dat het hof daarbij op een enkel punt de mist is ingegaan, zie de behandeling van onderdeel II hierna).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7bbd395e71cf4fafad2b9666e4b87aea8dc24f89683e219b0e85bd4964b9a4c2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7bbd395e71cf4fafad2b9666e4b87aea8dc24f89683e219b0e85bd4964b9a4c2, en de alinea staat in dat document op bytes 63118 tot 66736.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7bbd395e71cf4fafad2b9666e4b87aea8dc24f89683e219b0e85bd4964b9a4c2 | shasum -a 256