Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 januari 2020

Onder 3.14 Parket bij de Hoge Raad 10 januari 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:18.

Deze klacht mist feitelijke grondslag, omdat het hof in rov. 5.4 van het eindarrest niet heeft geoordeeld dat enige regresvordering pas is ontstaan op het moment van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst in 2006. Het hof heeft geoordeeld dat na elke betaling van een bepaald bedrag door Reaal aan [betrokkene 1] (voor meer dan het gedeelte dat Reaal aangaat) een regresvordering van Reaal op Centraal Beheer ontstaat ten aanzien van dat bedrag. De verjaring van die regresvordering neemt volgens het hof pas een aanvang op het moment van betaling van dat bedrag. Dit volgt uit rov. 5.3 en 5.4 van het eindarrest. In dezelfde lijn ligt rov. 5.7 van het eindarrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat de regresvorderingen van Reaal op Centraal Beheer, die zijn ontstaan door de (voorschot)betalingen van Reaal aan [betrokkene 1] in 2001 en 2005, zijn verjaard en waaruit volgt dat die regresvorderingen volgens het hof derhalve (elk) een ander aanvangstijdstip voor verjaring kennen dan de regresvordering ter zake van de slotuitkering. De klacht uit randnummer 4.2. van de procesinleiding faalt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7bbd395e71cf4fafad2b9666e4b87aea8dc24f89683e219b0e85bd4964b9a4c2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7bbd395e71cf4fafad2b9666e4b87aea8dc24f89683e219b0e85bd4964b9a4c2, en de alinea staat in dat document op bytes 69791 tot 71084.