Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 januari 2020
Onder 3.15 Parket bij de Hoge Raad 10 januari 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:18.
- aangezien de verzekerden van Reaal (het ziekenhuis en [betrokkene 2] ) in mei 2001 zijn veroordeeld om aan [betrokkene 1] diens schade te vergoeden en aangezien Reaal vervolgens op 15 juni 2001 de eerste betaling ten titel van schadevergoeding heeft voldaan aan [betrokkene 1] , is daarmee gegeven dat Reaal in ieder geval uiterlijk op dat moment (15 juni 2001) bekend was met zowel de schade als de aansprakelijke persoon (Centraal Beheer als regresdebiteur). Dit brengt mee dat de verjaringstermijn met betrekking tot de gehele regresvordering uiterlijk op 15 juni 2001 een aanvang heeft genomen. Hierbij merkt Centraal Beheer nog op dat de onjuiste rechtsopvatting/rechtstoepassing uit rov. 5.4 van het eindarrest niet afhankelijk is van de vraag of zich in casu een hoofdelijk schuldenaarschap voordoet. Ongeacht het antwoord op die vraag en ongeacht de (on)gegrondheid van onderdeel I geldt hier immers dat de voorwaarden van art. 3:310 BW, inclusief opeisbaarheid van de vordering, reeds in 2001 waren vervuld, aldus Centraal Beheer. Zie ter zake ook de nadere onderbouwing die Centraal Beheer bij onderdeel II geeft in haar schriftelijke toelichting: “Dit is in regresverhoudingen niet anders. Ook in gevallen van hoofdelijk schuldenaarschap en regres tussen hoofdelijk schuldenaren, ontstaat de regresvordering uiterlijk op het moment waarop de regresgerechtigde enige betaling aan de derde-benadeelde verricht. Immers, op dat moment kan deze regresgerechtigde een vordering instellen tegen de regresdebiteur. De eventuele omstandigheid dat de regresgerechtigde aan zijn verplichtingen jegens de derde-benadeelde zou voldoen door middel van betalingen op verschillende tijdstippen, brengt hierin geen verandering. Vanaf die eerste betaling beschikt de regresgerechtigde over een vorderingsrecht jegens de regresdebiteur. In casu spreekt dit des te meer aangezien Reaal meent dat haar aandeel nihil moet zijn en het aandeel van Achmea honderd procent, zodat Reaal met de eerste betaling (2001) in haar optiek reeds méér voldeed dan haar aangaat.”
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7bbd395e71cf4fafad2b9666e4b87aea8dc24f89683e219b0e85bd4964b9a4c2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7bbd395e71cf4fafad2b9666e4b87aea8dc24f89683e219b0e85bd4964b9a4c2, en de alinea staat in dat document op bytes 72842 tot 75049.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7bbd395e71cf4fafad2b9666e4b87aea8dc24f89683e219b0e85bd4964b9a4c2 | shasum -a 256