Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 januari 2020

Onder 3.20 Parket bij de Hoge Raad 10 januari 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:18.

In rov. 5.8 van het eindarrest heeft het hof overwogen dat de grieven 5 en 6 van Centraal Beheer zich richten tegen het oordeel van de rechtbank dat het inwinnen van een deskundigenbericht noodzakelijk is en tevens dat partijen van mening verschillen over de vraag of de schade is ontstaan voordat Centraal Beheer de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar werd van het ziekenhuis (1 april 1990) en over de vraag of de betreffende schade werd gedekt door de bij die verzekeraar afgesloten verzekering. Het hof heeft vervolgens in rov. 5.8 overwogen dat partijen daarmee dit geschilpunt in volle omvang aan het hof voorleggen. In rov. 5.10 van het eindarrest heeft het hof overwogen dat in de onderhavige zaak de vraag voorligt of de schade van [betrokkene 1] onder de dekking van de verzekering van Centraal Beheer valt en dat het hof bij die vraag uitgaat van de volgende feiten en omstandigheden: i) in juli 1989 is ten behoeve van de behandeling van [betrokkene 1] met het medicijn Pentasa gestart, zijn bloedwaardes waren toen normaal, ii) op 8 maart 1990 had [betrokkene 1] een verhoogde bloedwaarde van 336 µmol/L, welke bloedwaarde door de internist over het hoofd is gezien, iii) in juli 1991 is [betrokkene 1] met ernstige klachten vanuit Frankrijk naar Nederland gevlogen en in het ziekenhuis opgenomen, het creatininegehalte in zijn bloed bleek 660 µmol/L te zijn en iv) in augustus 1992 is vastgesteld dat één nier van [betrokkene 1] ernstig beschadigd was en is de diagnose tubulo-interstitiële nefritis gesteld. Hierna heeft het hof in rov. 5.12 van het eindarrest het standpunt van Centraal Beheer (ten aanzien van het ontstaan van de schade) uiteengezet, waarna het hof in rov. 5.13 van het eindarrest het volgende heeft overwogen: “ Voor zover Centraal Beheer beoogt te stellen dat de schade is ontstaan op het moment dat de internist niet reageerde op de afwijkende bloedwaardes van [betrokkene 1] op 8 maart 1990, verwerpt het hof deze stelling. Geenszins staat vast dat op dat moment al sprake was van enige schade aan de zijde van [betrokkene 1] . In zoverre falen de grieven van Centraal Beheer. ” In cassatie heeft Centraal Beheer geen inhoudelijke klacht gericht tegen rov. 5.13 van het eindarrest. Hiermee staat mijns inziens in cassatie vast dat het door Centraal Beheer (volgens het hof kennelijk het enige) gevoerde verweer dat door het hof onbestreden is uitgelegd als: dat de schade is ontstaan op het moment dat de internist een fout maakte op 8 maart 1990, niet kan slagen. Nu onbestreden vaststaat dat, als gezegd, Centraal Beheer volgens het hof geen beroep heeft gedaan op ontstaansmomenten (ter zake de schade) tussen 8 maart 1990 en 1 april 1990, heeft Centraal Beheer ook geen belang meer bij onderdeel III, dat uitsluitend gaat over de door het hof gegeven uitleg aan de polisvoorwaarden (het slagen van het onderdeel kan haar dan geen soelaas bieden). Ook overigens falen de klachten van onderdeel III. Ik licht dat toe.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7bbd395e71cf4fafad2b9666e4b87aea8dc24f89683e219b0e85bd4964b9a4c2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7bbd395e71cf4fafad2b9666e4b87aea8dc24f89683e219b0e85bd4964b9a4c2, en de alinea staat in dat document op bytes 78631 tot 81777.