Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2020
Onder 2.22 Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:234.
Art. 3:35 BW heeft betrekking op alle gevallen waarin de verklaring niet overeenstemt met de wil, en dus ook op het geval dat iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord iets heeft verklaard als bedoeld in art. 3:34 BW. Een beroep op art. 3:35 BW slaagt indien vaststaat dat de wederpartij van de geestelijk gestoorde niet wist of behoefde te weten dat de verklaring werd afgelegd in een toestand van (tijdelijke) geestelijke stoornis. Met andere woorden, de geestelijk gestoorde kan enkel een beroep op het gemis aan wil doen tegenover de wederpartij die de geestesstoornis kende of behoorde te kennen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bb735cce3fb045350343019979b1359d17570363e935b6f7d546ab6fd75526ac. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bb735cce3fb045350343019979b1359d17570363e935b6f7d546ab6fd75526ac, en de alinea staat in dat document op bytes 43142 tot 43906.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bb735cce3fb045350343019979b1359d17570363e935b6f7d546ab6fd75526ac | shasum -a 256