Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2020

Onder 2.6 Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:240.

Over de grondslag van de gebondenheid aan eindbeslissingen in de hoofdprocedure zijn de meningen in de vakliteratuur verdeeld. De meeste auteurs gaan ervan uit dat de (ambtshalve door de rechter toe te passen) leer van de bindende eindbeslissing deze gebondenheid verklaart en bepaalt. In deze visie is de bindende kracht van eindbeslissingen in de hoofdprocedure vergelijkbaar met die, welke binnen één instantie toekomt aan eindbeslissingen die in een tussenvonnis zijn vervat. Hierbij moet worden bedacht dat een schadestaatprocedure al kan worden gevoerd terwijl de hoofdprocedure nog aanhangig is. De schadestaatrechter is dan volgens de heersende inzichten gebonden aan eindbeslissingen in de hoofdprocedure die nog niet in kracht van gewijsde zijn gegaan. Van Schaick daarentegen gaat ervan uit dat de (niet ambtshalve door de rechter toe te passen) regeling van het gezag van gewijsde (art. 236 Rv) van toepassing is op eindbeslissingen in de hoofdprocedure over de grondslag van de aansprakelijkheid. Omdat de keuze voor de ene of de andere grondslag mede bepalend is voor het antwoord op de vraag of – en, zo ja, in hoeverre − uitzonderingen op de hoofdregel van gebondenheid mogelijk zijn, zal ik hierna elk van beide grondslagen nader bespreken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5fc77fc3feb5000aae89dbd2c6f3473a31c611b623ac15e1f7a12ec78d4dae1f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5fc77fc3feb5000aae89dbd2c6f3473a31c611b623ac15e1f7a12ec78d4dae1f, en de alinea staat in dat document op bytes 19294 tot 20897.