Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2020

Onder 2.11 Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:240.

In oudere rechtspraak is geoordeeld dat een beslissing waarbij de rechter niet is toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil omdat de betrokken partij niet aan haar stelplicht heeft voldaan, geen gezag van gewijsde heeft. In de vakliteratuur is aangenomen dat deze rechtspraak slechts betrekking heeft op die gevallen waarin − wegens ontoereikendheid van de ingenomen stellingen − geheel onduidelijk blijft welke (soort) rechtsbetrekking aan de rechter werd voorgelegd. In dit verband wordt wel gesproken van een stelplicht ten aanzien van de grondslag van de vordering, ter onderscheiding van de stelplicht ten aanzien van de gegrondheid van de vordering. Gras maakt onderscheid tussen enerzijds het stellen van onvoldoende “rechtsfeiten” – dat leidt tot niet-ontvankelijkheid van de eiser (met een herkansingsmogelijkheid) – en anderzijds het stellen van onvoldoende “bewijsfeiten” – dat leidt tot afwijzing van de vordering (zonder herkansingsmogelijkheid).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5fc77fc3feb5000aae89dbd2c6f3473a31c611b623ac15e1f7a12ec78d4dae1f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5fc77fc3feb5000aae89dbd2c6f3473a31c611b623ac15e1f7a12ec78d4dae1f, en de alinea staat in dat document op bytes 26150 tot 27519.