Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2020

Onder 2.12 Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:240.

Indien de lijn uit het hiervoor in alinea 2.8 genoemde arrest uit 2015 – tardieve stellingen rechtvaardigen geen terugkomen van een bindende eindbeslissing – wordt doorgetrokken naar het leerstuk van het gezag van gewijsde, volgt daaruit dat gezag van gewijsde kan toekomen aan beslissingen waarbij een op zichzelf voldoende duidelijk omschreven vordering wordt afgewezen bij gebrek aan voldoende feitelijke onderbouwing. Die conclusie ligt in het verlengde van de al besproken rechtspraak die inhoudt dat het gezag van gewijsde niet kan worden doorbroken met een beroep op nieuw bewijsmateriaal. In lagere rechtspraak is inderdaad aangenomen dat het gezag van gewijsde kan verhinderen dat tardieve stellingen in een nieuwe procedure alsnog worden beoordeeld. Ook in de vakliteratuur is het standpunt verdedigd dat de eiser die zijn vordering in een eerdere procedure zag stranden wegens schending van de op hem rustende stelplicht, het gezag van gewijsde tegengeworpen kan krijgen in een tweede procedure waarin hij diezelfde vordering van een nadere feitelijke onderbouwing voorziet.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5fc77fc3feb5000aae89dbd2c6f3473a31c611b623ac15e1f7a12ec78d4dae1f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5fc77fc3feb5000aae89dbd2c6f3473a31c611b623ac15e1f7a12ec78d4dae1f, en de alinea staat in dat document op bytes 27599 tot 28829.